Stichting Dodenherdenking Leiden

 Een volk dat voor tirannen zwicht zal meer dan lijf en goed verliezen dan dooft het licht.
H.M. van Randwijk
(1909 -1966)
×

Waarschuwing

Fout tijdens het laden van component: com_tags, Component niet gevonden

 

IN HET HUIS MIJNS VADERS

 

ZIJN VELE WONINGEN

 

 

 Onno Blom

 

Dodenherdenking

Zaterdag 4 mei 2013 des avonds in de Marekerk te Leiden

  

Dames en heren,

Op steenworp afstand hiervandaan betrok de zeventienjarige Jan Wolkers, een bundeltje kleren in zijn ene en schildersspullen in zijn andere hand, in het geheim een zolderkamertje in het pand aan de Lange Mare 110. Het was de herfst van 1943. Vanuit zijn raam had de jonge Wolkers uitzicht op het dak van de Hartebrugkerk, die in Leiden, zoals u weet, ‘de koeliekerrrk’ wordt genoemd, vanwege de spreuk op het timpaan: HIC DOMUS DEI EST ET PORTA COELI. Dit is het huis van God en de poort naar de hemel.

               Op een zonnige dag in de lente van 2006 ben ik samen met Jan Wolkers, zijn vrouw Karina, zijn kinderen Bob en Tom en de tekenaar Dick Matena en zijn vrouw door Leiden gelopen langs de locaties uit de roman Kort Amerikaans. Toen zijn we ook de Hartebrugkerk binnengegaan, omdat Eric van Poelgeest, de held van de roman in die kerk een kaars steelt en daarbij wordt betrapt. ‘Al denkt u dat geen mens u ziet, God ziet u altijd,’ klinkt in de roman ineens een droevige stem van achter een pilaar. 

Op het moment dat Wolkers zijn eigen romanscène stond na te vertellen in het voorportaal van de kerk kwam de koster hem met gesis en geïrriteerde gebaren tot stilte manen. ‘Heb eerbied voor het huis van God!’ Wolkers ontplofte zowat en slingerde, terwijl hij woedend wegliep, een regel uit het bijbelboek Johannes naar het hoofd van de koster: ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen!’

                De jonge Wolkers was in 1943 in Leiden ondergedoken omdat hij in zijn ouderlijk huis in de Deutzstraat 7 in Oegstgeest een oproep voor de Arbeitseinsatz had ontvangen. Hij wilde voorkomen dat hij zou worden opgepakt en in Duitsland tewerkgesteld – en vluchtte naar de stad. Om de paar dagen kwam zijn moeder hem uit Oegstgeest met de tram een pannetje eten brengen, dat zij, om het voedsel warm te houden, in een luier had gewikkeld. Jan kwam uit een groot, gereformeerd en arm gezin: hij was de derde van elf kinderen.

Anders dan je misschien zou denken gaf de Duitse bezetting Jan Wolkers een gevoel van bevrijding. ‘Er viel een maatschappelijke druk van ons af,’ schreef hij in de roman Terug naar Oegstgeest. ‘Wij waren nu niet meer de enigen die berooid en vogelvrij verklaard waren. De armoede werd een beetje gelijker verdeeld, want ook mensen uit het park namen op den duur hout mee dat langs de weg lag.’

                Dat Jan moest onderduiken gaf hem de kans te ontsnappen aan de benauwenis van het huis zijns vaders, die de gesel des geloofs over de hoofden van zijn kroost liet knallen. Tegenover de duistere wereld van God en zijn vader wilde hij het licht van de kunst stellen. Hij wilde schilder worden. Daartoe had Wolkers zich aangemeld bij de teken- en schilderacademie Ars Aemula Naturae aan de Pieterskerkgracht. Hij werd binnengelaten door een man in een met verf bespatte schildersjas en een flambard op zijn hoofd: Egbert Goosen Bouwmeester.

                Argeloos vertelde Wolkers aan Bouwmeester dat hij was ondergedoken en dat zijn oudste broer Gerrit in het verzet zat. Op een van de tekenavonden stond Bouwmeester ineens achter hem in het uniform van de W.A. ‘Ik stond aan de grond genageld en rook de geur van zijn leren laarzen en dacht dat mijn broer en ik nu wel meteen door de Grüne Polizei opgepakt zouden worden.’

Wolkers is door het oog van de naald gekropen. Bouwmeester was onderschaarleider van de Landwacht en werkte lange tijd voor de Gewestelijke Inlichtingendienst van de N.S.B. Hij heeft zich gedurende de oorlog schuldig gemaakt aan ernstige collaboratie en verraad. In het Nationaal Archief is een dik strafdossier over Bouwmeester te vinden, dat aantekeningen bevat, van hemzelf en anderen. Over Leidenaren die ‘valse praatjes’ zouden verspreiden. Over ambtenaren met ‘zeer Joodsch uiterlijk’. Uit angst en rancune, antisemitisme en communistenhaat heeft Bouwmeester nogal wat Leidenaren bij de Duitsers aangegeven.

‘Prof Kollewijn en Flu komen zeker ook voor inhechtenisneming in aanmerking!’ noteerde Bouwmeester. ‘Ongelofelijke hetzers. De Jood Blitz van Magazijn ’t Hoekje in de Breestraat hitst en beweert dat in Rotterdam hongersnood heerscht.’ Of: ‘In de boekhandel De Kler, Nieuwe Rijn te Leiden, worden nog verkocht geschriften of boekjes van de hand van Prof Telders, getiteld Het Vaderland Gethrouwe. Deze Boekhandel heet De Christelijke Boekerij; zie ook de toepasselijke spreuken in de uitstalkasten! Zeer Oranje gezind.’

Toch heeft Bouwmeester Wolkers nooit verraden. Toen de Leidse zwarthemden zich in het najaar van 1944 gezamenlijk terugtrokken op de Burcht, gaf de meester zijn leerling de sleutel van de academie om verder te werken aan zijn schilderijen. Van de sleutel heeft Wolkers niet lang gebruik gemaakt. Aan het begin van de Hongerwinter was er in Leiden geen kruimel voedsel meer te krijgen. ‘De bevrijding was achter de grote rivieren vastgelopen en de afschuwelijke honger sloop de stad in. Vuil werd er niet meer geruimd en de grachten en kanalen stonken van het walgelijkste afval en drek.’

In Wolkers’ ouderlijk huis had het noodlot toegeslagen. Een Joodse vrouw die in de Deutzstraat zat ondergedoken, was, toen zij het niet kon weerstaan een luchtje te scheppen op het balkon, gezien door de NSB-buurvrouw. Ze verdween daarop onmiddellijk naar een volgend onderduikadres, maar werd daar opgepakt en gedeporteerd.  

Jans oudste broer Gerrit had, nadat hij vergeefs via Bretagne naar Engeland had proberen te vluchten, ondergedoken gezeten bij een familie in de provincie. Op een dag was hij ziek thuisgekomen. Hij was besmet geraakt met difterie. Op 30 augustus 1944 overleed hij in het Academisch Ziekenhuis, in quarantaine, in een bed achter glas. Daar had Jan hem voor het laatst gezien. Zijn broer had zijn vuist in de lucht gebald en was teruggezakt in de kussens. Een maand later, op 30 september, was ook Jans tweejarige zusje Beatrix (die niet toevallig zo heette) aan difterie gestorven.

Jan zag zich gedwongen terug te keren naar Oegstgeest. Gedreven door honger en de wil om zijn familie te helpen, nu hij zelf de oudste zoon was geworden. ‘Onze groenteboer heeft me verhuisd,’ schreef Wolkers in De walgvogel. ‘Met zijn vale schonkige schimmel voor de kar. Toen we alles opgeladen hadden, mijn schilderijen [..] en de andere rotzooi, en we, ik op de bok naast hem zittend, bij de Mare rechtsaf de Haarlemmerstraat op hobbelden, en ik het raam van mijn kamertje weg zag schuiven achter de Hartebrugkerk, wist ik dat alles voorbij was. Dat het uit mijn leven weggleed. Dat het voorgoed verleden was geworden.’

Toen in mei 1945 Leiden en Oegstgeest werden bevrijd, voelde Wolkers dat opnieuw niet als een bevrijding. Hij had op het talud van de snelweg bij Oegstgeest samen met zijn dorpsgenoten staan kijken naar de ronkende vliegtuigen die als ‘een oceaan van hoop’ over hem heen spoelde. Maar de komst van de Canadese bevrijders was een deceptie. Jan had het gevoel dat zijn leven hem opnieuw werd afgenomen.

‘Als je thuiskwam had niemand oog voor je. Alle aandacht ging uit naar een paar vlezige jongemannen die achter je zusters aan zaten,’ schreef hij in het essay Zwarte bevrijding. Alle aandacht van de meisjes ging uit naar de soldaten van de Royal Canadian Army die hun legertenten hadden opgezet in het bos van Oud Poelgeest. ‘Je bestond niet meer, je telde niet meer mee want je had geen vlees aan je lichaam, geen zaad in je kloten. Je kon in je wankele broosheid slechts toeschouwer zijn van die liederlijke honger naar lust.’

Egbert Goosen Bouwmeester was onmiddellijk na de bevrijding door de Binnenlandse Strijdkrachten opgepakt en in een kamp gevangen gezet. Tijdens de gedwongen tewerkstelling in een touwfabriek werd hij geslagen en geschopt. ‘Hierbij,’ verklaarde Bouwmeester tegen een rechercheur van politie, ‘werd met een kolf van een stengun dusdanig op mijn handen geslagen, dat ik ten gevolge daarvan in het ruim ben gestort. Men heeft mij vervolgens met water overladen.’     

Bovendien werd bij Bouwmeester, die al een zwak gehoor had, een stengun vlak naast zijn oor afgeschoten. De wachtcommandant van de touwfabriek, ene A. Koreman, sprak, met deze feiten geconfronteerd, van ‘een gesimuleerde oorontsteking van den landverrader’. Hij gaf toe dat hij een bus water over Bouwmeester had heen gestort. ‘Deze douche had zoo’n goede uitwerking, dat het tempo van loopen verdubbelde.’

Daarop vroeg de wachtcommandant zich af: ‘Moeten ellendelingen, waar Bouwmeester er één van is, behandeld worden als behoorlijke Nederlandsche arbeiders? Moeten zij bij iedere opwelling niet te willen werken in de gelegenheid worden gesteld een rustkuur te ondergaan? Moet er bij niet opvolgen van een bevel krachtdadig worden opgetreden of niet?’ Tenslotte ondertekende commandant Zandbergen van de politieke recherche Leiden op 15 juli 1945 het rapport met de mededeling: ‘Na gehouden onderzoek is mij gebleken dat de zogenaamde mishandeling van den Landwachter Bouwmeester op onjuiste gegevens berust.’

Het lezen van het dossier van Bouwmeester vervult je met walging. In de eerste plaats over Bouwmeesters gedrag tijdens de Bezetting. Hij maakte willens en wetens deel uit van een systeem dat tegenstanders, en zelfs onschuldige bevolkingsgroepen als de Joden rücksichtlos uit de weg wilde ruimen. Bouwmeester stuurde met zijn inlichtingenwerk zijn stadgenoten, buren, vaders, moeders, zonen en dochters hun ondergang tegemoet – en dat is schokkend om te lezen. Maar in de tweede plaats treft je het gedrag van Bouwmeesters berechters na de bevrijding, die zich te buiten gingen aan geweld.

In oorlog en in vrede is de mens in staat tot gruwelen. Helaas is dat nog onverminderd het geval. ‘Zo neemt het kwaad,’ schreef Wolkers in 1995, vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en de tussenliggende tijd overziend, ‘dat men helaas de gewone gang van zaken moet noemen, toch steeds weer de overhand en worden de beweegredenen om te herdenken en bevrijdingsfeest te vieren wel erg gering voor degenen die de toestand kritisch onder de loep nemen.’

                Toch is herdenken ook nu nog, bijna zeventig jaar nadat Wolkers onderdook op zijn zolderkamertje hier aan de Mare, noodzakelijk. Uit respect en ter nagedachtenis van de slachtoffers van een misdadig regime. Maar ook voor jezelf. Een kritische blik op de geschiedenis geeft je inzicht in de aard van de mens en de paradoxen van ons bestaan. Een bezetting kan bevrijdend werken. Bescherming door een verrader kan veiligheid bieden. Ook een verrader heeft recht op bescherming. ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen.’ In zo’n huis leven wij – en het is goed daar vandaag bij stil te staan.

Ik dank u wel.

 

 

 

 

 

 

 

Gepubliceerd door: ICT4Free