Stichting Dodenherdenking Leiden

 Een volk dat voor tirannen zwicht zal meer dan lijf en goed verliezen dan dooft het licht.
H.M. van Randwijk
(1909 -1966)
×

Waarschuwing

Fout tijdens het laden van component: com_tags, Component niet gevonden

Leiden, 4 mei 1990

Dr. D. Dolman, voorzitter Tweede Kamer

Vijftig jaar geleden kwam een einde aan onze neutraliteit. Volgens de koninklijke proclamatie van 10 mei 1940 hadden wij die "stipte neutraliteit met angstvallige nauwgezetheid in acht genomen".

Inderdaad, angstvallig was de regering geweest. Zij bleek geen partij voor een moordenaarsbende die men alles slechts kan toeschrijven behalve angst. Angst is een slechte raadgever. Hij strookt ook niet met de nationale traditie.

Onze onafhankelijkheid moge lang beschermd zijn door toevalligheden als water en veen, onze wereldhistorische betekenis en trots is een strijdbare partijdigheid: tegen imperialisme, voor vrijhandel, voor tolerantie.

In de periode voorafgaande aan 1940 was de partijdigheid verslapt en de toevalligheid van de bescherming miskend. Duitse joden hielden wij aan de grens tegen, duitse tanks en bommenwerpers lieten zich niet tegenhouden.

Hoe pijnlijk de ontgoocheling, de meeste Nederlanders gingen aanvankelijk door als na een natuurramp. Sommigen, onder wie Colijn en De Geer, meenden dat het realistisch was een blijvende duitse overheersing van Europa te erkennen.

De kerende krijgskansen maar vooral de ontwrichting van het maatschappelijk leven hebben de stemming doen omslaan. Vijf dagen waren niet genoeg. Vijf jaren werd Nederland de les gelezen.

Kneveling van kerk, pers en partijen. Roof van voedsel, machines en fietsen. Vernieling van gebouwen en landschappen. Deportatie van militairen en arbeiders. Doden door bommen en granaten. Tenslotte, letterlijk en figuurlijk, de bevriezing van Holland en daardoor onvermijdelijk de honger.

Wie denkt aan Leiden in dat laatste oorlogsjaar, beseft de nabijheid van de bollenstreek. Pootgoed voor het volgende jaar werd opgegeten om de volgende week te halen. Maar ook de stad verteerde zichzelf. Ik citeer de kroniek van De Jong: "In Leiden, waar meer dan 5000 bomen stonden, spaarde het publiek er welgeteld 390". De wereldoorlog kromp ineen tot het naakte bestaan in een klein kamertje.

Tweemaal in zijn geschiedenis heeft Leiden gehongerd. Tweemaal is zijn bevrijding bewezen en gevierd met voedsel. Tweemaal per jaar herdenkt het zijn ontzet. Laten wij die beide herdenkingen eens vergelijken.

 

Beide feiten hebben tevens een wijdere, internationale strekking. Per definitie. als overwinning op een buitenlandse mogendheid. Maar dat niet alleen. De verlossing van 1574 bevestigt en versterkt de internationale herkomst van de bevolking dezer stad. Zuid-Nederlanders eerst, Fransen later hebben haar gevoed. Het gemeentebestuur heeft daarop onlangs de aandacht gevestigd met een stamboomonderzoek voor verscheidene burgers. Terecht. Want wijder dan ooit zijn na 1945 de grenzen geopend: voor een partijdige militaire en politieke samenwerking in vrijheid en menswaardigheid. voor goederen en kapitaal, maar bovenal voor mensen. Aan de gastvrijheid voor die nieuwe stadgenoten laten zich ons historisch besef en de kwaliteit van onze huidige samenleving meten.

Wie weet dat hij of zijn buurman afstamt van Walen of Fransen, begrijpt dat de Staat der Nederlanden zijn bloei goeddeels dankt aan instroom van buiten. Hij ziet in dat wij Turken en Marokkanen niet morrend hebben toegelaten, maar uitgenodigd en gebruikt. Hij schaamt zich dat wij in die vijf donkere jaren een groep hebben laten wegvoeren die haar eigen vreemde herkomst niet of nauwelijks erkende.

Ik kom hiermee op een verschil tussen 3 oktober en 5 mei. Drie oktober is een vrolijk feest voor de hele burgerij, elk jaar weer. Met vijf mei heeft het nooit goed willen lukken. Waarom niet? De nabijheid van Koninginnedag heeft er iets mee te maken, maar dat is niet de voornaamste verklaring. Met reden staat deze herdenking niet in het teken van uitbundigheid maar van stilte. Waarom?

Oktober 1574 bracht het ontzet van een benauwde veste en ganse burgerij. Zeker, de honger had levens geëist. Maar de hele stad had geleden. De hele stad kon zich verenigen in dankbaarheid en vreugde.

Zo ging het ook in en vlak na de hongerwinter van '44-'45. Geleidelijk echter is het besef doorgebroken dat het grootste verlies daarvoor was geleden. Ik geef de cijfers: van 591 joden zijn te Leiden 113 in leven gebleven, dat is 19%, nog iets minder dan het landelijk gemiddelde. De meesten werden in 1943 weggevoerd.

Hun aantal overtreft dat van de gesneuvelde militairen, of van de bombardementsslachtoffers, of van de gevallen verzetsstrijders, of van de verhongerden. Maar belangrijker: hun groep is niet toevallig, zij zijn geen willekeurige pechvogels. Zij zijn zorgvuldig en fanatiek gebrandmerkt, afgezonderd, weggeleid en omgebracht.

En Nederland heeft te weinig gedaan om het te verhinderen.

In Leiden werd bij het leeghalen van het joodse weeshuis medewerking geweigerd door een inspecteur van politie. Andere Nederlanders werkten mee. Het past ons niet daarvan schande te spreken. Hoe sterk zouden wij zelf in angst en gevaar zijn geweest? Wel past ons bewondering voor de weinigen die weerstand hebben geboden, een minderheid ook zij. De Tweede Wereldoorlog is voor Duitsland, Polen, de Sovjet-Unie totaal geweest. In Nederland is de algemene bezorgdheid, verminking en verarming (nog) overschaduwd door het lot resp. de rol van een minderheid: ter ene zijde de joden, ter andere zijde het verzet - dat overigens voor een onevenredig deel door joden werd gedragen.

Dit besef, zei ik, brak geleidelijk door. Kort na de oorlog overheerste het rumoer van Trees haar Canadees en de appeltjes van Oranje. Stoutenbeek en Vigeveno citeren in hun boek Joods Nederland een artikel uit de Leidse Courant van juli 1946: "De joden hebben het ontzettend hard te verduren gehad, maar ze zijn weer bekomen van de schrik en zetten alweer een grote mond op en doen weer mazzel. Ook onder de joden vindt men sujetten die onuitstaanbaar zijn. Die bijvoorbeeld niets vaderlandslievends hebben gepresteerd dan alleen onder te duiken".

Wij weten meer dan in 1946. Wij hebben minder reden tot plezier. Wij herdenken met verdriet de minderheid die werd vergast en de minderheid die zich verzette. Wij belijden, naar het woord van Hoornik, onze dankbaarheid en onze schuld. Wij schamen ons.

Voor stad en land zijn wij allen verantwoordelijk, niet slechts een minderheid. Recht voor allen, dat is ons aller plicht.

Doet yder recht en wacht u voor bedrog.

Gepubliceerd door: ICT4Free